image
Geschiedenis

de terpen

Een opmerkelijk element in de ontwikkeling en bewoning van het noorden van Nederland en ook van Burdaard zijn de terpen. Veel kennis omtrent de terpen is verkregen door het afgraven, waarmee rond 1840 is begonnen. Terpgrond bleek vruchtbare grond te zijn. Het werd lonend om de terp af te graven, de aarde te vervoeren en de grond te verspreiden over schrale weilanden en bouwlanden. Deze activiteit heeft zich in de jaren rond 1900 ontwikkeld tot een ware industrie. Sommige terpen werden afgegraven tot aan de bebouwing, soms werd ook de bebouwing afgebroken en werd de hele terp weg gegraven. Ook Burdaard is niet gespaard, in en rond het dorp is een deel van de terpen geheel of gedeeltelijk afgegraven. In het navolgende vermeldt ik wat mij bekend is vanuit mijn kadastraal onderzoek, aangevuld met enkele feiten uit andere bronnen.

De terpen waar het hier over gaat, liggen binnen een straal van twee km rond de grote terp van Burdaard en zijn op de kaarten van Schotanus en Halma terug te vinden. Niet elke terp heeft op de kaartjes een naam, voorzover ze al een naam hebben. Ze zijn nu of vroeger bekend onder de volgende namen in het spraakgebruik:

  • de Burdaarder terp, is de grote terp in het dorp;
  • de Doniaterp, halverwege Burdaard en Wanswerd;
  • de terp Baerd of Baard, een volledig afgegraven terp ten zuiden van de Iedyk;
  • de terp aan de Iedyk met de Reamskûtel;
  • de volledig afgegraven terp van Kolkhuizen;
  • de wierde van Hollebrantsje.

De grote terp in het dorp

Op de terp stonden rond 1700 de kerk met de pastorie en vijf boerderijen, bekend onder de namen Groot en Klein Wijtsma, Stylsma, Sytsma (mogelijk) en de boerderij in het midden. Aan de zuidkant van de terp stond vroeger de boerderij genaamd Klein Wytsma. Deze boerderij is afgebroken in 1846, maar een bijbehorend huis is blijven staan. De Armvoogdij heeft het perceel in 1853 overgenomen en bleef het verhuren. Vijftig jaar later was ook dit huis te bouwvallig geworden om het nog op te knappen en werd het gesloopt.

De Armvoogdij kreeg toestemming van de gemeente het erf alsmede de tuintjesgrond er achter te mogen afgraven en de terpgrond te verkopen. Het terrein mocht worden afgegraven tot 1.20 meter beneden de kruin van de langslopende grintweg naar Steenendam. Voor elke kubieke meter meer afgegraven moest 1,50 gulden als boeteprijs worden betaald. Wat de echte prijs per m3 terpgrond was, valt niet af te leiden uit de opbrengst van 549 gulden en de af te graven oppervlakte, 4358 m2. In de overeenkomst waren ook nog andere werkzaamheden begrepen, zoals het dempen van de singel. Deze afgraving vond plaats in 1898.

Later, in 1925 is op dezelfde plek weer een boerderijtje gebouwd door Auke Jansma, nu Steenendamsterweg 5. De afgraving van het middendeel was toen waarschijnlijk al gebeurd, of nog gaande. Dit middendeel was het meest interessante deel vanwege de hoogte. De terpaarde werd over water afgevoerd via de ‘boogsingel’, die misschien tijdelijk was verbreed en aansloot op de opvaart naar de Ee. De afgegraven percelen werden het ‘leegje’ genoemd en werden soms ter beschikking gesteld voor feesten. Het bevrijdingsfeest in 1945 is er uitgebreid gevierd.

De noordkant van de terp werd ook afgegraven. Rond 1900 liep de terp nog tot achter het Hellingpad en tot aan een opvaart aan de oostkant. Uit het kadasteronderzoek blijkt niet wanneer de afgraving aan de noordkant precies is begonnen. In een koopakte uit 1885 is sprake van een opslagplaats aan de Ee, ten oosten van de opvaart naar de terp, “tot vervoer van terpaarde”. Deze opvaart was de verbinding tussen de Ee en Groot Wytsma. In 1931 werd de boerderij op Groot Wytsma afgebroken. De nieuwe huidige boerderij staat ten zuidoosten van de oude. In 1913 was een nieuwe vaart gegraven van einde Hellingpad richting terp. Waarschijnlijk is deze vaart gegraven tegelijk met het afgraven en afvoeren van de terpaarde. In dat jaar werd een nieuwe meting verricht door het kadaster, omdat het perceel in tweeën was gedeeld. Met het graven van deze nieuwe opvaart werd de oude opvaart tot een sloot versmald. In de verkoopakte uit 1913 wordt dit in tweeën gedeelde perceel aangeduid als “de gedeeltelijk afgegraven terp”. Het westelijke gedeelte werd gekocht door de eigenaar van Groot Wytsma, Jan Leenderts Talsma. Het oostelijke gedeelte werd gekocht door Jan Gerrits Straatsma, die hier later een boerderij liet bouwen (nu Dokkumerstraatweg 7).

Het gedeelte van de terp ten westen van de weg naar Steenendam, werd al voor 1900 afgegraven.

De Doniaterp

De terp aan de weg van Burdaard naar Wânswert werd al ver voor 1700 aangeduid als Doniaterp. Van oudsher stonden er drie boerderijen op de terp. Het gedeelte van de oudste kadasterkaart uit 1832 geeft precies de ligging aan. De grenzen van de terp zijn grotendeels te herkennen.

De meest westelijke boerderij is de Donia boerderij, vanaf 1834 in bezit van de familie Noordenbos (nu Wânswerterdyk 39). De zuidelijke boerderij is van voor 1700 al een Gasthuisboerderij, nu bewoond door de familie Bakker. Beide boerderijen liggen nog op niet afgegraven grond. De rest van de gronden aan de westkant van de weg zijn geheel ontgraven.

De derde boerderij lag aan de noordkant van de terp. Deze boerderij is ten behoeve van de afgraving van dat deel van de terp afgebroken in 1874, ernaast werd een nieuwe woning gebouwd op 20 meter ten noorden. Ook die woning is opgeofferd en in 1916 is het huidige pand gebouwd, sedert 1950 is deze boerderij eigendom van en bewoond door de Poortinga’s. Een meetschets uit 1905 van het huidige Wânswerterdyk 86, nadat de boerderij achter het woonhuis was gebouwd, geeft aan dat het naastgelegen perceel bouwland ten oosten “afgegraven terp” is. De afgravingsperiode van het noordelijke deel van de terp ligt dus waarschijnlijk tussen 1875 en 1915.

Wanneer het deel ten zuiden van de weg is weggegraven is niet bekend, maar waarschijnlijk eerder vanwege de eenvoudiger afvoer mogelijkheid.

De terp Baerd

Deze terp lag ten zuiden van de huidige Iedyk, tussen de Hikkaarderweg en de Oude Vaart of de Jislumervaart. De naam van de terp is geanalyseerd door Johannes van Dijk in zijn boek “Dorpen bij het wad etc “. De schrijfwijze van de naam zou kunnen passen in het rijtje Birdawert, Rawert, Bawert, later geschreven als Birdaard, Raard, Baard. Op de kadasterkaart van 1832 staan twee boerderijen op deze terp aangegeven. Deze beide boerderijen zijn afgebroken, in 1869 werd de zuidelijke boerderij afgebroken, omdat “de terp wordt afgegraven” en dertig jaar later in 1899 de noordelijke. De afgegraven gronden waren in eigendom en/of waren in gebruik bij Jitse Wytses de Jong en hij was ongetwijfeld de gangmaker van de afgraving. De terp lijkt in het verre verleden aangelegd, beter gezegd opgehoogd, te zijn aan een natuurlijke afwateringsgeul (de Oude Vaart). Deze terp is volledig afgegraven, zelfs tot onder het niveau van de omliggende weilanden. Een moerassig gebied is overgebleven, nu Natuurmonument.

De terp met de Reamskûtel

Deze terp is minder goed als zodanig herkenbaar, de terp is niet opvallend hoog. Er stond en staat slechts één boerderij op. Op de oudste kadasterkaart en bij Eekhof wordt de boerderij aangeduid als “de Groote Plaats”, vroeger ook "Grote Garde", later komt de naam "Reamskûtel" in gebruik. De terp werd bijna niet afgegraven, maar bij de aanleg van een ligboxenstal van Wierda in 1998 is er wel in gegraven. De ingraving stak door de ‘bodem’ van de terp. De schelpjes op de top van de onderliggende kweldergrond zijn gedateerd op circa 500 jaar voor Christus (volgens informatie van Wierda). De bewoning van deze verhoging en mogelijk van andere verhogingen in deze streek dateert dus minstens vanaf die tijd.

De terp van Kolkhuizen

Ten zuiden van de huidige Dokkumerstraatweg lag vroeger ook een terp. Schotanus geeft hier de benaming Kolkhuizen. De terp is niet op de kaart aangegeven, wel de bij de terpboerderij behorende “vogelkooy” en een meertje “Healdoor “ genaamd. Iets meer naar het westen staat nog een boerderij aangegeven. De geschiedenis van de kooiboerderij met zijn bewoners is uitvoerig beschreven door Gerard Mast.

In 1922 kocht Willem Annes Elgersma de kooiboerderij met omliggend land. In hoeverre de afgraving toen al begonnen was, is mij niet bekend. Maar Mast schrijft dat Elgersma de terp afgroef tot aan de voorgevel en toen de boerderij ging afbreken. In 1930 is dat bij het Kadaster geregistreerd.

De ruilverkaveling heeft niet alles recht getrokken met de herindeling. Op een luchtfoto uit 1975 is de locatie Kolkhuizen ook nog terug te vinden in de verkleuring van de ondergrond. De terpaarde werd over het eigen land verdeeld. De terp moet ca 2.50 m hoog geweest zijn. Zeer waarschijnlijk is het afgraven en is het verdelen van de grond over de nabij gelegen weilanden al eerder gebeurd, want op de kadastertekening uit 1875 is van een meertje niets terug te vinden. Wat er nog aan oneffenheid in het terrein over was is met de ruilverkaveling glad gestreken.

De wierde van Hollebrantsje

Een terp werd ook wel een wierde genoemd. Schotanus geeft hier de naam Oldbrand Weeren aan. Het lijkt op “de wier van oude Brand”. De naam is later op veel manieren geschreven, de familie Elgersma heeft gekozen voor de naam Hollebrantsje, volgens het spraakgebruik. Schotanus tekent hier twee boerderijen, maar tot nog toe heb ik slechts één gevonden en beschreven onder Wiereweg 15. Ook is er een vogelkooi bij één van de boerderijen geweest. Schotanus geeft geen vogelkooi aan, maar in verkoopbrieven is daar wel duidelijk sprake van. In het landschap is een lichte verhoging te zien, niet opvallend genoeg om die verhoging een terp te noemen. De naam geeft echter duidelijk aan dat het wel een terp genoemd mag worden.