image
Geschiedenis

de Ee

Geliefkoosd puzzelwoord. Altijd al nieuwsgierig geweest naar het ontstaan van de Ee? De Dokkummer Ee, wel te verstaan. Want er zijn in ons land meer wateren van dezelfde naam. Was onze Ee een kanaal, een gracht, een rivier, een slenk, een afwateringssloot? Wat is er van bekend en hoe werd het zoals het nu is?

Zoeken naar het begin

Er is helaas geen kaart gemaakt in vroeger tijden. De eerste kaarten van Friesland met enige betrouwbare informatie dateren van de zestiende eeuw. De Ee is echter van ver voor die tijd. Er is wel een tijd aan te geven dat de Ee er nog niet was, laat zeggen ten tijde van de laatste ijstijd, met de laagste temperaturen omstreeks 40.000 jaar geleden. De kleigronden ten noorden waren er nog niet. De woudzandgronden waren er wel, het z.g. pleistocene zand, de harde zand ondergrond van Burdaard. Barre tijden, het ijs van de noordpool strekte zich ver uit naar het zuiden, met gletsjers tot halfweg Nederland. En natuurlijk veel ijs in de hoger gelegen gebieden van Europa. Er was in die periode zoveel water opgehoopt in het ijs, dat de zeespiegel minstens 100 meter lager was dan nu. Na het dieptepunt in de kou liep de temperatuur weer langzaam op. De gletsjers en het landijs gingen smelten, eerst langzaam. De zee was nog ver weg, 10 000 jaar geleden kon je nog naar Engeland lopen. De monding van de Rijn lag veel verder naar het westen, ooit ter hoogte van Bretagne. Met het afsmelten steeg het zeeniveau. De gronden in onze omgeving kwamen onder het ijs te voorschijn. Een toendra-achtig gebied kwam bloot, de wind kreeg vat op het zand, een licht duinachtig gebied ontstond. De lagere delen vulden zich met smelt- of regenwater, zoet water. Er vormden zich grotere en kleinere veengebieden. Het terrein was licht glooiend richting zee. Ter hoogte van de huidige zeedijk lag het zandige (pleistoceen dekzand) oppervlak zo’n 5 meter lager dan bij Burdaard. Het overtollige regenwater stroomde af richting zee via riviertjes. Riviertjes die niet meer terug te vinden zijn, later overspoeld, dichtgeslibd of juist vergroot. Daar waar de zee het land bereikte, werd in het rustige water slib afgezet. De oudste kleiafzettingen ter hoogte van de zeedijk dateren van circa 5000 jaar geleden. De zeespiegel lag toen op ca 5 meter minus NAP. Daarna verhoogde het gebied zich min of meer gelijkmatig, weliswaar met rustiger of heftiger perioden. Riviertjes en stroomgeulen slibden vol en nieuwe ontstonden. Zo zijn er een aantal van die stroompjes lange tijd blijven bestaan en zijn nu nog gedeeltelijk te herkennen in het landschap, als kronkelige sloten tussen de rechte verkavelingssloten.

Waar bleef het water?
situatie ca 1000 jaar geleden

In het noorden van Friesland waren er twee hoofdstroomgeulen ontstaan. De geulen zijn de Noorder Ee en de Zuider Ee genoemd, toen nog twee afzonderlijke stroompjes voor de afvoer van regenwater en overstromingswater. De Zuider Ee kwam uit in de Middelzee bij Leeuwarden, ten zuidoosten van de Oldenhove (langs de Eewal) althans vanaf de periode dat de Middelzee bestond. Dit is een kronkelend riviertje waar de zee nooit vat op gekregen heeft, er is geen verwijding en er is geen stroomgeul in te herkennen. De oorsprong of bron lag in het hogere deel rond Wânswert, of juist in de meertjes daar in de buurt, mogelijk meertjes gevoed door regenwater en door zout kwelwater zoals nu nog met het Klaarkampstermeer het geval is. Het is bekend dat veel later hier en daar turf werd gewonnen, zoute turf. De stroom liep langs Tergreft richting zuidwesten. De Noorder Ee ontsprong op het hogere deel ten noorden van Burdaard en een andere tak bij Burdaard. Het kan ook zijn dat ook hier weer de oorsprong ligt in een paar meertjes. Het water zocht kronkelend zijn weg naar het oosten, naar zee. Het zeewater heeft hier wel vat op het riviertje gekregen en sleep de benedenstroom uit tot een stroomgeul, die met het stijgen van de zeespiegel steeds verder het land binnendrong, uiteindelijk tot ongeveer Klaarkamp.

Al vrij vroeg is er bij Klaarkamp een uitwateringssluisje gemaakt, waarschijnlijk tegelijk met het verkavelen van de landerijen. Door het slotensysteem werd het water beter afgevoerd naar de riviertjes, maar dat mocht natuurlijk niet weer teruglopen met vloed. Een enkele klap in een dam kon bij eb water afvoeren, spuien. Met een deur of later een dubbele deur kon water gespuid worden en konden desnoods ook nog scheepjes doorgelaten worden als de stroom niet te sterk was. Bij opkomend water sluiten ze vanzelf weer. Het water stroomde langs de terp van Dokkum, en andere terpen. Het is misschien beter om andersom te denken, de terpen ontstonden aan het water, op de hoogste punten in het landschap, met stevige ondergrond. Verkeer tussen de terpen ging over water. Om grond en kwelderzoden aan te voeren voor verhoging van de terp was vaarwater nodig. Leeuwarden lag aan zee en was zeehaven, tot de Middelzee dichtslibde. Dokkum lag in die tijd ook aan zee en is veel langer zeehaven gebleven. Dokkum werd toen minder bedreigd door dichtslibbing.

Er ontstond behoefte aan een directe verbinding tussen beide steden ten behoeve van verkeer. Een andere minstens zo belangrijke reden was de afwatering, die richting Leeuwarden werd geblokkeerd door dichtslibbing van de Middelzee. Er was daarom alle reden de beide riviertjes Ee door te verbinden. Om dat te verwezenlijken moest er wel iets geregeld worden, maar een echte organisatie bestond er praktisch nog niet. Tot rond 1200 de kloosters werden gesticht, waardoor de mogelijkheid tot organiseren en mogelijk ook tot financiering ontstond. Het is waarschijnlijk dat in de daarop volgende periode, tussen 1200 en 1300, de doorgraving tegelijk met de verkaveling of vlak daarna is gemaakt. Het nieuw gegraven deel zou dan van Burdaard naar Tergreft geweest zijn. Het klooster Klaarkamp, gesticht in 1165 door de Cisterciënzer monnikenorde, zal hier veel aan bijgedragen hebben. Deze monnikenorde was nog geen twintig jaar daar voor gesticht in Frankrijk door Bernard, later Bernard van Clairvaux genoemd, naar de vestigingsplaats plaats van het eerste Cisterciënzer klooster. De naam Klaarkamp lijkt mij een letterlijke vertaling van Clairvaux. De opdracht van Bernard aan zijn orde was om moeilijk toegankelijke gebieden te bewerken en het noorden van Friesland was kennelijk zo’n doelgebied.

De eerste grote slatting van de Ee in 1506
situatie ca 500 jaar geleden

De verbinding zal wel een tijd lang gefunctioneerd hebben maar na verloop van tijd toch niet voldoende. In oude documenten is er sprake van vernauwing en dichtgroeien van de Ee, zodanig dat de doorvaart belemmerd werd en schepen moesten omvaren over de Murk, langs Rinsumageest. In die periode, eind 15e eeuw, was er ‘burgeroorlog’ in Friesland. Pas nadat de Schieringers het buitenland te hulp riepen, maakte Hertog Albert van Saksen daar een einde aan. Het land stabiliseerde onder het Saksische bewind en eerdere afspraken en verordeningen over verbetering van de Ee kwamen eindelijk tot uitvoering in 1506.

Uit een bewaard gebleven document blijkt dat behalve Leeuwarden het Klooster Klaarkamp een uitvoerende rol speelde bij de verbetering. De aanliggende ‘delen’ (gemeenten) moesten meehelpen of mee bijdragen in de kosten. De Ee als zodanig liep van Leeuwarden tot aan de “nije schluyse”, toen dus aangelegd of vernieuwd. Deze sluis lag even ten westen van Dokkum. Ooit was er dus ook een oude sluis, waarschijnlijk ter hoogte van Klaarkamp en van daaruit bediend. Ten oosten was de Ee een open verbinding met de Lauwerszee, die naderhand langzaam dichtslibde. De vaarverbinding kon niet ophouden bij Leeuwarden en dus werd een jaar later, in 1507, ook besloten de verbinding van Leeuwarden met Harlingen te verbeteren.

De Trekweg
situatie ca 400 jaar geleden

De aanleg van de trekweg ging iets sneller in zijn werk. Het initiatief werd genomen door de stad Harlingen in 1640, “om met verdecte schepen den reijsende man van de ene stadt aen de ander over te brengen”, d.w.z. van Harlingen naar Leeuwarden. De stad Leeuwarden ging snel akkoord. De Staten van Friesland gingen een jaar later ook akkoord. De nodige gronden moesten worden aangekocht. Vijf jaar later volgde de aanbesteding in oktober 1645 en in de zomer daaropvolgende kon de weg in gebruik worden genomen. De aanleg duurde nog geen jaar !!!

Omdat dit de eerste trekweg was in Friesland moesten ook nog eens de nodige trekschuiten worden gebouwd, twaalf schuiten op diverse werven. Ook werden er paarden aangekocht en stallingen gebouwd. Maar Dokkum kon nog sneller, zij zagen plotseling een groot voordeel zitten met een trekweg van Leeuwarden naar Dokkum en een afvaardiging bezocht de Raad van Leeuwarden. Leeuwarden vond dat Dokkum eerst maar eens met Groningen moest praten over doortrekken naar die stad. Maar Dokkum wachtte daar niet op en begon november 1646 met het werk en alweer binnen een jaar was de weg klaar !!! De toestemming tot doortrekken naar Groningen ging in fasen en duurde iets langer, maar tien jaar later was ook dat traject voltooid.

Het is altijd verbazingwekkend hoe snel de werken in het verleden werden uitgevoerd. Zonder moderne hulpwerktuigen, alleen met schop en kruiwagen. Grote aantallen mensen moesten worden ingezet. Mensen moesten worden aangetrokken, huisvesting moest worden geregeld, bevoorrading, transport voor aan- en afvoer, bouwmaterialen als puin, hout, aarde etc etc. Dit waren gigantische operaties.

De breedte van de trekweg was 3 roeden (à 3,91m) of ca 12 m, waar gemeten is niet bekend, maar mogelijk op waterhoogte. Naast de weg kwam een ringsloot voor de afwatering en begrenzing van de aanliggende weilanden. In de weg, over opvaarten en sloten, moesten bruggen of tillen worden gelegd en in de dorpen en buurten beschoeiingen.

Een vergelijking met andere projecten in Nederland is interessant. Het eerste trekschuitproject in Nederland was het graven van de trekvaart van Haarlem naar Amsterdam, gegraven in 1631/1632. Het rendement was bijna 7% vergeleken met een rentestand van toen 4%, een goudmijntje. Pas in 1834 kwam hier de concurrentie met de eerste trein. Met de trekvaart tussen Haarlem en Leiden werd begonnen op 25 april 1656 en de eerste trekschuit voer op 1 november 1657. De aanleg werd meestal gefinancierd door de steden en snelle aanleg drukte de rentelast gedurende de bouwperiode. De trekschuiten waren primair bedoeld voor personenvervoer, met uitsluitend post en kleine pakjes. Dit was een voorwaarde voor octrooiverlening door de Staten van Holland. Beurtschippers vervoerden de goederen, ze profiteerden natuurlijk wel van het aangelegde jaagpad.

Het Stadsboek van Dokkum, 1646

Voordat met de aanleg van de trekweg kon worden begonnen moest de Stad Dokkum wel eerst tot overeenstemming komen met alle aangrenzende eigenaren. In “het Octrooi voor de Trekweg”, een document uit het Stadsboek van Dokkum, daterend uit 1646, ooit in 1811 overgeschreven en goed leesbaar bewaard gebleven, staan een aantal dingen die hier interessant zijn.

Alle betrokkenen konden hun voorstellen kenbaar maken voor de overdracht van grond. Er staan talloze namen in van eigenaren van gronden langs de Ee. Het is mogelijk een aantal van deze eigenaren op te sporen met behulp van de Prekadastrale Atlas van Ferwerderadeel, gemaakt door de Fryske Akademy. Daarin staan opgenomen de stemhebbende eigenaren uit 1640, het Stemkohier. De namen uit het bovengenoemde document komen hiermee overeen, te weten de eigenaren van de boerderijen Mounewei 3, Wânswerterdyk 39 en 37, Iedyk 10, Tergreft 27, Hikkaarderdyk 25 en 33, Jislumerdyk 19. Verder enkele niet thuis te brengen namen, die waarschijnlijk in volgorde richting Leeuwarden zijn genoemd en volgen op Mounewei 3: “Livius Scheltingha, Thome, Jan Denis herbergier tot Wanswerdt over Birdaerd (dat is ongetwijfeld de herberg bij de brug, noordzijde), Tiallingh Sytses, schroor, en Pyter Obbes als eigenaers van haere huysinghe ende grondpacht, erfpacht hebbende”. Mogelijk zijn dat de eigenaren van vijf huizen, wat betekent dat er in 1646 nog maar drie huizen ten westen en twee ten oosten van de (nog niet aanwezige) brug stonden, samen met een boerderij Mounewei 3.

De eigenaren stelden wel de nodige voorwaarden. Eén van die eigenaren was het Gasthuis te Leeuwarden, eigenaar van de boerderij Wânswerterdyk 37 en landerijen aan de Ee. De bestuurders van het Gasthuis waren akkoord met de aanleg mits er gezorgd zou worden voor de afwatering en voor bruggen in de trekweg. Er waren drie invaarten nodig met een “wijdte van minstens zeven voet aen beide canten bestaldt ende elck met een deksel, welverstaende met banden omme deselve te connen opligten, omme als het nodigh is daardeur met pramen haer gardeniers waeren uyt, ende den dongh ende andere materie daardeur bequamelycken wederomme in, ende op het land te connen brengen”. De ringsloot moest minstens één roede of 3,91 meter breed worden. Van deze drie doorvaarten lag de eerste honderd meter ten oosten van de Wânswertervaart, de tweede was mogelijk de Vrouw Lazarus brug, die al verdwenen was in 1832 en niet meer op de oudste kadasterkaart voorkomt en de laatste lag vlak bij het dorp over de opvaart naar de Doniaterp. Hier ligt nu nog een brug. De toenmalige pramen waren dus bootjes van minder dan zeven voet of 2.25 meter breed.

Een aantal eigenaren vond dat ook eigendommen aan de zuidkant en oostkant bereikbaar zouden moeten zijn en gaven in overweging de trekweg aan de zuidkant aan te leggen. De meeste waren echter akkoord met de weg aan de noordkant. De trekweg bleef gekozen aan de noordkant van de Ee. Leeuwarden had in die tijd (nadagen van de Tachtigjarige Oorlog) nog steeds moeite met een benadering van de stad van de noordkant, reden waarom er aan die kant ook nooit een brug gemaakt is over de Ee. Eén eigenaar, Jelle Jelles had het voorstel om “sijn verhuyrde huisinge daer de Bontekoe uithanghkt, stallinge der paerden te maken”, waar deze Bontekoe uithangt is niet duidelijk.

Ook blijkt uit het stuk waar de oude sluis ten westen van Dokkum ligt: erven Johannis Benerdy hebben drie percelen buiten de Hanspoort bij Dokkum, “streckende twee percelen van de Stadsgracht westwaerdts tot aen de olde Bornwaerderzyl ende het derde van Thomis Sybrens Calckoven plaets tot aen de Scheidplaets van de Olde Claercampster demolieerde (weggebroken) Zyl”. Beide zijlen of spuisluizen waren in in 1583 al vervangen door de Zijl in het centrum van Dokkum, en in 1646 al opgeruimd.

Na deze “inspraakprocedure” werd de Stad Dokkum toegestaan de trekweg aan te leggen voor eigen rekening en de kosten te dekken uit de tolopbrensten. Vier tolhuizen werden gebouwd, nr 1 bij de Jelsumervaart, nr 2 bij de Finkumervaart, nr 3 bij Burdaard (nu Tolhuis 1) en nr 4 zes honderd meter ten oosten van de Hoge Brug.

De tweede grote slatting van de Ee in 1777
situatie ca 300 jaar geleden

De aanleg van de trekweg in 1646 had natuurlijk verkeer aangetrokken en het bleek dan ook al gauw dat breedte en diepte van de Ee niet voldoende waren. In Burdaard kon je zelfs bij laag water door de Ee waden om aan de overkant te komen. Tegelijk met het baggeren van de Ee van Leeuwarden naar Dokkum, werd de drempel weggegraven en moest er een brug komen.

Plannen voor verbetering van de Ee bestonden al veel langer. In 1717 waren er grote overstromingen geweest in het noorden van Friesland. In 1729 zijn door Willem Loré de Dokkumer Nieuwe Zijlen gemaakt, als uitwateringssluizen om de afwatering van het noorden van Friesland te verbeteren. Het doorstroomprofiel van de Ee moest eveneens worden verbeterd. Loré heeft het tracé opgemeten en daarvan een tekening laten maken in 1736, door Pieter Idserts Portier. Die tekening is bewaard gebleven en opgenomen in het boek van P.J. de Rijke, “Hoogtepunten van de Friese Cartografie”. De kaart geeft de gemeten diepte aan over de hele lengte. Gemeten is bijna overal 3, 31/2 of 4 voet. Alleen in het dorp Birdaard is slechts 2 voet, kniehoogte, gemeten over enkele honderden meters lengte, waarschijnlijk bij laag zomerpeil. Het nieuwe profiel is ook ingetekend, de bodembreedte moest 42 voet worden, de vereiste diepte werd niet (of nog niet aangegeven). De totale lengte van het traject was berekend op 5604 roeden (dat is 21,9 km), gemeten vanaf het Blaauwhuis te Leeuwarden tot de stadsgracht van Dokkum. Er zijn ook dwarsdoorsneden gemaakt, o.a. ter plaatse van de ‘drempel’, daarbij is aangetekend dat de dwarsprofielen zijn gemaakt en eigenhandig getekend door de Hoogleraar N.(Nicolaas) Ypey. Deze was hoogleraar wiskunde aan de Universiteit van Franeker van 1747 tot 1785. De dwarsprofielen zijn helaas ongedateerd. Aangenomen kan worden dat ze gemaakt zijn vlak voor de uitvoering van het werk. Eén doorsnede is genomen in de “Buurt van Birdaard”, daarop zijn enkele leuke huizen getekend. Of die huizen waarheidsgetrouw getekend zijn valt te betwijfelen, ze komen niet overeen met de tekening van Bulthuis uit die tijd. Ze lijken meer op tekeningen van gebouwen uit de toenmalige overheidsbouwstijl voor tolhuizen

De kosten van de slatting moesten door de Grietenijen worden betaald. Het heeft erg lang geduurd voordat men het eens werd over de kostenverdeling. Pas in 1777 komt het werk tot uitvoering. De Ee werd in delen (perken) afgedamd, drooggemalen en uitgegraven. De totale kosten bedroegen 109.826 gulden. Tegelijk met de slatting werd de (eerste) brug gebouwd in Burdaard, deze brug is getekend door Bulthuis, vrij snel na het gereed komen van brug en slatting. Op de getekende dwarsprofielen en de tekening van Portier komt geen brug in Burdaard voor, ook in het Octrooi voor de Trekweg is geen sprake van een brug te Burdaard. Dit in tegenstelling tot een brug bij Klaarkamp, wel ingetekend door Portieren wel genoemd in het Octrooi.

De derde grote slatting van 1853
situatie ca 200 jaar geleden

Begin 1800 krijgen we weer een opleving in het waterstaatkundige gebeuren. Er zijn een aantal keren overstromingen geweest en dat leidde tot het nemen van maatregelen. Eekhoff meldt dat in 1826 door het Provinciaal Bestuur een Commissie benoemd werd om de Vaarwegen en Stroomkanalen te onderzoeken en de middelen voor te stellen om ze te verbeteren. Er zijn toen veel werken uitgevoerd maar de duurste (waarschijnlijk) is blijven liggen, de verbetering van de Ee.

Een geïnteresseerde ooggetuige uit die tijd was boer Hellema, vooral Birdaard en omgeving had zijn belangstelling. In 1844 schreef hij al in zijn dagboek dat er in de “Courant aangekondigd wordt dat de legger van de Ee ter inzage ligt op de secretarie van de Grietenijen”. In 1847 schreef hij dat de Dokkumer Ee zal worden geslat. In 1853 is het dan zover, Hellema (dan 87 jaar) nam een kijkje bij het slatten van het eerste perk in Leeuwarden bij het Blauwhuis. Hellema had als kind nog de slatting van 1777 gezien. Hij wist nog te vertellen dat er toen veel soldaten de wacht moesten houden bij de dammen, omdat die dreigden te worden doorgestoken door mensen die het niet eens waren met de werken. In 1853 schreef hij dat er weer veel soldaten waren ingekwartierd, maar nu lijkt dat nodig geweest te zijn, om oproerige polderjongens in toom te houden. “Het is meest vreemd volk, welke onder allerlei voorwendsels de opstand veroorzaakt. De Friezen echter zegt men zijn wel tevreden aan de slatting”. Hellema schrijft ook “dat een groote menigte stobben en boomstammen” uit de Ee zijn gehaald tussen Burdaard en Hoge Brug, “tot grote bewondering van nadenkenden!”. Hij denkt “zeer waarschijnlijk van woud en bosschen” afkomstig, en eindigt: “welke ondenkbare onweersgesteldheden, watervloeden en orkanen, die deze verwoesting aanbragten, deze wouden overstroomd, de boomen ontworteld en omver geworpen en met een dikken aardkorst of slijk overstroomd hebben??? Wie zal het zeggen??.“

Terug van onze bijna negentig jarige nadenkende boer, naar de aanbesteding en het verloop van het werk. Het bestek is getekend de 30e maart 1853. De aanbesteding volgde direct daarop en december 1853 was het werk zo goed als klaar!!! Alweer supersnel. Het hele traject moest in 5 percelen worden drooggelegd. Het derde perceel liep van de Hallumervaart door Burdaard tot aan het Tolhuis. De bodem van de Ee moest komen te liggen op 2,10 meter beneden zomerpeil en moest minstens 11,40 meter breed worden. De breedte op zomerpeil varieerde voor de slatting van 16 tot 35 meter. In het dorp Burdaard was dat zelfs minder, er moest grond aangekocht worden om de breedte op minstens 16 meter te brengen. De uitkomende grond moest aan weerszijden worden uitgekruid over de aangrenzende gronden. Sommige mensen wilden dit niet of juist wel, in overleg moest dit worden opgelost. Het is bekend dat bijvoorbeeld de gracht rondom Bourboomstate, of beter Bourboom boerderij, hiermee is opgevuld (het Bourboomhuis was al afgebroken in 1844).

Uit het dagboek van de opzichter in 1853

De generale opzichter Hendrik Korenstra heeft een dagboek bijgehouden. Het dagboek vermeldt inderdaad enig oponthoud van het werk, hij schrijft: “door onlusten, onwil en dronkenschap”, vooral in het deel bij Leeuwarden en dan vooral de dagen na de zondag. Het beperkte zich echter tot een keer in juli en twee keer in oktober. De uitbetalingen, te laat of te weinig, hadden ook een rol gespeeld, waarschijnlijk is ook de aannemer hierop aangesproken door de opzichter.

Hij schrijft niet over inkwartiering van militairen. Er is wel een schrijven van de gemeente aan bijna alle bewoners van de Streek over vergoeding voor inkwartiering, 35 cent per man per dag. Het aantal militairen betrof 15 man, gedurende 26 dagen. In het deel tussen Tolhuis en de Hoge Brug heeft de aanwezigheid van veel wortels en stobben in de bodem voor vertraging gezorgd, vooral in het oostelijke stuk van dit vak. Het aantal mensen op het project werd wekelijks in zijn verslag opgenomen. Dat aantal varieerde van 300 tot 600 mensen, met een piek van 700 mensen in augustus bij Burdaard.

Totaal zijn er in de loop van het werk 1700 nieuwe kruiwagens aangevoerd. Het leegmalen en droog houden van de percelen gebeurde met windmolens en met handkracht bediende molens. Op perceel drie, bij Burdaard, is zelfs een door paarden aangedreven molen gebruikt. Het aantal gewerkte mandagen was over de hele periode ongeveer 18.000.

De verdienste lag niet hoog. Hoeveel vermeldt de opzichter niet, maar elders lag dit voor polderjongens op ongeveer 40 cent per dag, of 12 cent per m3 als het aangenomen werk was. Het aantal uren per dag was afhankelijk van het seizoen. Over de huisvesting schrijft de opzichter niet, maar hij meldt wel de aanvoer van hout voor keten en de verplaatsing van keten. Ook is er een keer sprake van aanvoer van stro en brandstof in juli. De brandstof is dus kennelijk voor het koken bedoeld. Aangenomen kan worden dat de mensen buiten het dorp in keten woonden, wat overeenkomt met berichten van elders.

Het werk was bijna klaar eind december, toen de winter inviel. Alleen de dammen in het laatste vak, perceel drie, het stuk in het dorp, moesten nog worden geruimd na het vollopen van het vak. Dit was niet meer mogelijk, toen hebben ze dat beperkt tot het ruimen van de koppen zodat sleden in ieder geval ongehinderd over ijs konden passeren.

Latere onderhoudswerkzaamheden

De latere werken beperken zich tot onderhoudswerken van beschoeiingen en baggeren. Het baggeren gebeurde toen niet meer door droogzetting maar met baggermolens. De uitkomende bagger werd niet meer aan weerskanten van het water gedeponeerd, maar op daarvoor aangewezen terreinen, weilanden die dan enkele jaren buiten gebruik lagen, de ‘baggerbulten’. O.a. het weiland, ten oosten van Birdaarderstraatweg nr 13, het fiskershuske, was rond 1940 zo’n baggerbult.